©2019 by Tribute

Tel. 0541 299 860

Mob. 0653 222 944

info@tribute.nu

de Mors 15, 7631 AH Ootmarsum

  • Quiasinon

De omgang met en de zin van het kwaad

Toen in Polen de concentratiekampen bevrijd werden, wilden de overlevenden zo snel mogelijk naar huis. Veel Poolse joden gingen te voet op weg naar hun stad van herkomst en sloten zich onderweg bij elkaar aan voor steun en veiligheid. Een meisje van een jaar of vijftien liep alleen met haar moeder. Toen de verzwakte moeder langs de kant van de weg stierf, ging het meisje alleen verder. Maar ook voor haar kwam het moment dat ze uitgeput neerzonk. Ze werd gevonden door een jonge aalmoezenier.

Barakken in het Majdanek kamp, 24 Juni 1944. via Wikimedia Commons

Hij liet haar wat water uit zijn veldfles drinken en gaf haar wat brood. Hij was, zei hij, een klein uur eerder langs een joods bivak gekomen. Daar zouden ze wel voor haar zorgen. Toen hij zag hoe zwak het kind was, besloot hij haar erheen te dragen. Bij het bivak zagen de joden de Poolse priester met argwaan naderen. Ze trokken het meisje uit zijn armen en joegen ‘die zwartrok’ met scheldwoorden weg. Het meisje bouwde later in Israël een nieuw leven op, maar het bleef haar spijten dat ze haar redder nooit had kunnen bedanken. Ze kon hem alleen in haar gebeden gedenken en gelukkig hoefde ze dat niet naamloos te doen. Ze had op de veldfles van de jonge aalmoezenier zijn naam zien staan en die wist ze nog: Karol Wojtiła.


Nou ja, de rest laat zich raden. Toen Karol Wojtiła in 1978 paus Johannes Paulus II werd, wist het meisje, inmiddels een vrouw van tegen de vijftig, dat haar bedankbrief in het Vaticaan wel bij hem terecht zou komen. Ze kreeg een uitnodiging om naar Rome te komen en de kennismaking te hernieuwen. Kennelijk hielden zij en de paus contact, want toen Johannes Paulus II na zijn dood werd bijgezet in de crypte van de Sint-Pieter was deze vrouw een van de zeer ontroerde eregasten.


Dit is maar een van de verhalen die in pools-joodse kringen de ronde deden over de jonge Karol Wojtiła en waarin met dankbaarheid over hem gesproken werd. Ook het meisje uit dit verhaal was dankbaar. Overlevenden van de holocaust moeten die dankbaarheid soms bevechten. Niet alleen omdat dit gevoel vaak wordt overstemd door de herinnering aan de gruwelen, maar ook omdat er zoiets is als de schuld van de overlevenden: wie ben ik dat ik nog leven mag, terwijl zoveel anderen ‒ beteren dan ik ‒ moesten sterven? Aan de ene kant is er dankbaarheid om het leven, aan de andere kant het onuitsprekelijke leed dat alleen draaglijk kan worden als je er iets van een zin aan kunt geven. Mensen die de zin van het leven konden blijven zien, zelfs in de meest duistere periode, deden dat vaak vanuit een diepe spiritualiteit.


Etty Hillesum, die de oorlog niet zou overleven, wist heel diep dat er buiten en boven het aardse bestaan een overkoepelende grootheid bestaat die niemand, maar dan ook niemand je kan afnemen. Zij verwoordde het in haar dagboek: Zelfs al laten ze ons maar één straat, dan staat boven die straat toch de hele hemel.


Viktor Frankl, die de oorlog wel overleefde, zette zijn kampervaringen in om mensen die lijden aan de zinloosheid van het bestaan de kracht te geven er een zin aan te geven. Veel joden die in de holocaust zijn omgekomen, waren chassidische joden. Zij waren ervan overtuigd dat aarde en hemel één zijn, dat alles wat mensen op aarde doen of wat hen overkomt een zin heeft, en daarom ‘heilig’ kan worden genoemd, zelfs het kwaad. Het chassidisme kan om die reden geen filosofie of leer zijn, maar is een levenshouding, het moet gedaan en geleefd worden.


Ongetwijfeld zijn veel chassidim vanuit zo’n houding de dood ingegaan en ongetwijfeld sterf je dan anders, breng je in de geestelijke wereld iets anders binnen dan wanneer je stervend God vervloekt.


De boekrollen waarin de Hebreeuwse bijbel is opgeschreven, worden in de synagoge in een speciale schrijn bewaard. Een chassidische legende vertelt dat de Eeuwige in de hemel ook zo’n schrijn heeft ‒ zo beneden, zo boven ‒ en dat daarin de rol van het Boek Esther naast die van het Boek Job staat. Esther vertelt over de redding van het joodse volk, het is een verhaal van dankbaarheid.

Omdat het niet moeilijk is om dankbaar te zijn, draagt deze boekrol een kleed van witte, met parels bestikte zijde. Job vertelt het verhaal van lijden en zoeken naar de zin van lijden. Omdat mensen daar niet mee bezig willen zijn, heeft die rol alleen een kleed van versleten zwart fluweel. Maar de Messias zal pas komen, als de rol van het Boek Job gekleed is in goudbrokaat, bestikt met robijnen.


Het Europees chassidisme is niet meer. Maar de vraag naar de omgang met en de zin van het kwaad moeten we blijven stellen.


Overgenomen van: Utz Verzendantiquariaat, www.utz.nl

3 keer bekeken